De Wondere Wereld der Boeven (1)

(Beagle Boys (c) by Carl Barks, Walt Disney)

Wie kent ze niet, de boeven, schavuiten, het geteisem en de misdadigers?

Als je door een gebrekkige opvoeding de Zware Jongens uit de Donald Duck (de “Beagle Boys”) mocht hebben gemist, dan is er wel de onafzienbare reeks tv-series die voorziet in de warme belangstelling waarin de medemens die gebukt gaat onder de last van een minder ontwikkeld geweten zich gekoesterd weet.

Toch weten maar weinig mensen hoe rijk geschakeerd en gevarieerd de onderwereld eigenlijk is. Van vrolijk gekleurd janhagel tot grauwe schoften omringd door blauwe bromvliegen; van de flamboyante schelm via de gemaskerde boef tot de vlakke misdadiger, en van het Limburgse schorremorrie tot het Noordelijke geteisem: een fenomenologische studie heeft een classificatie opgeleverd die veel bevredigender is dan dat geneuzel over drank en dobbelspel, ‘een slechte jeugd gehad’ of ‘zijn vader dronk en zijn moeder at’.

Dus, hoe zit dat eigenlijk met al die verschillende soorten geboefte?

De “deugniet” en “kwajongen” slaan we over en beginnen waar het serieuze verkeerde pad begint en volgen het in de richting van een gestaag afnemende morele ontwikkeling.

SCHELM – de Schelm heeft nog iets goeds in zich: hij / zij wordt niet zozeer door hebzucht of boosaardigheid gedreven, maar kan bijvoorbeeld begonnen zijn als heethoofdig idealist en, als zoveel anderen, gaandeweg het doel en de middelen zijn gaan verwarren. Kan desondanks de nodige overlast veroorzaken. Zie bv. “Dennis More” (Monty Python’s Flying Circus), de matig tot redelijk geoefende schutter die, gezeten op zijn paard Concorde, lupines van de rijken steelt en aan de armen geeft.

SCHAVUIT – de Schavuit is vaak als Schelm begonnen, maar heeft een dieper besef van de essentie van het slechte pad: waar de Schelm vaak niet de gevolgen van zijn of haar daden inziet, kan de Schavuit bijvoorbeeld achteraf onbedaarlijk gniffelen bij de gedachte aan zijn of haar uitgevoerde schavuitenstreken. De Schavuit is ook rommeliger gekleed dan de vaak goedverzorgde Schelm, en heeft een soort halo van stofdeeltjes om zich heen hangen die vooral bij tegenlicht en en donkere achtergrond goed zichtbaar is.

BANDIET – er kleeft een onbestemd romantisch élan aan de Bandiet: dat van de “volledig self-made (wo)man”, die in kleine groepjes over de steppe, prairie of heide zwerft, azend op “reizigers, beladen met goud” die dan besprongen en “uitgeschud” worden door ze aan de enkels omhoog te houden en flink te rammelen. Hierdoor valt het eventueel aanwezige goud op de grond, wat door de bandieten grommend en snuivend bijeen wordt gegraaid, in verweerde lederen zakken gestort en, onder luid geharf en het lossen van pistoolschoten, meegenomen naar het uit ruwhouten planken opgetrokken Bandietenhol.

Daar aangekomen ontaardt de verdeling van de buit onder invloed van liters rum steevast in een handgemeen, terwijl de uitgeschudde reizigers hun weg naar de beschaafde wereld terug moeten vinden, gekleed in de houten tonnen-met-bretels die de bandieten hen daarvoor ter beschikking stellen. Sommigen menen hierin een zekere menslievendheid bij de Bandieten te bespeuren, maar er is ook iets te zeggen voor de zienswijze dat het ook voor de Bandiet prettig is als de uitgeschudde reizigers op deze wijze in staat worden gesteld om in de toekomst nogmaals goud te kunnen verstrekken.

SLECHTERIK – bij de Slechterik belanden we tenslotte aan bij degenen die van het Slechte Pad werkelijk hun levensvervulling maken. Waar de Schavuit, de Schelm en de Bandiet nog een zekere sympathie opwekken, gruwt de ware Slechterik bij deze gedachte. Daarmee is ook alles over de Slechterik gezegd wat er over te zeggen valt: in de criminologische praktijk is het begrip van weinig waarde.

JANHAGEL – is eerder een aanduiding voor een sterk tot deviant gedrag neigende bevolkingsgroep dan een specifiek soort crimineel. Janhagel treft men bijvoorbeeld bij opstootjes aan, altijd bereid om handjes te laten wapperen ter bevordering van de onrust, relletjes en gevechten die door hen als stimulerend en een ‘welkome afwisseling’ (de zgn. “lol” of “gein”) worden begroet. Janhagel ging traditioneel gekleed in vodden en lompen, maar ook zij zijn met de tijd meegegaan en het moderne, zelfbewuste Janhagel anno holadiee hult zich het liefst in vrolijk gekleurde trainingspakken.

BOOSWICHT – ‘geniepig’, ‘verkneukelend’, ‘handenwrijvend’ – dat alles kenschetst de Booswicht, die mateloze vreugde put uit zijn of haar laffe streken. Ja, we kunnen gerust stellen dat het de Booswicht louter om leedvermaak gaat. Zo kan men ‘s avonds Booswichten onder het licht van een 4-watt spaarpeertje luid zien zitten harfen (Harfen: met grote vlezige onderkaak en deinende wangen ‘lachen als een bulldog’) bij het beramen van hun minkulelarij; en op weg naar hun slachtoffer galmt hun ongunstige geschater door de sloppen en stegen.