De Wondere Wereld der Boeven (5)

(Beagle Boys (c) by Carl Barks, Walt Disney)

SMIECHT – met zijn knobbelige vingers, brede, platte hoofd, uitpuilende gele ogen, vaalgroene teint, pad-achtig uiterlijk en een mond als een snee in een plastic speelgoedbal is de Smiecht een merkwaardige verschijning. Wie in de lange gangen van overheids- en bedrijfsgebouwen ooit een Smiecht tegen het lijf is gelopen, vergeet dat nooit meer. De Smiecht tracht zijn slachtoffer met gladde glibberpraat voor zijn karretje te spannen, en gebruikt zijn merkwaardig talent voor mimicri en hypnose om zich in de hogere échelons van het bedrijfsleven of de overheid te nestelen. Eenmaal daar aangekomen stelt de Smiecht alles in het werk om zoveel mogelijk narigheid uit te halen, waarbij de Smiecht elk succesje met een dun “huu-huu-huu” lachje en een steels genuttigd maaltje gedroogde vliegen viert, want de Smiecht is een zgn. Amphiboforme Cribride: het resultaat van door Aarts-slechteriken als “Dr. No” e.d. gefinancierde, gewetenloze experimenten uit de jaren ‘50 en ‘60 van de vorige eeuw.

Men kan de insectenetende Smiecht daarom ontmaskeren door hem in de zomer een zakenlunch buiten de deur aan te bieden, want ze kunnen de reflexmatige impuls om passerende insecten met hun vliegensvlugge, meter-lange krultong te vangen niet weerstaan.

TUIG – betekent tegenwoordig ongeveer hetzelfde als Janhagel. De toenemende welvaart heeft ook onder Tuig huisgehouden en tegenwoordig hangen zij net als jullie op de bank; zappend tussen de driehonderd tv-kanalen identieke bagger of Feesboekend op de tablet. Zoiets haalt de scherpe kantjes van het leven, dat begrijpt iedereen.

Maar geloof me: ooit werd het woord “Tuig” met de grootst mogelijke verbittering uitgesproken, als men elkaar tijdens Buisman-visites of op de hoek van de straat waarschuwde: “Hei jung, aj’ drek neur Fitàs geet hej’ ‘t goed wies kepot! Duir kej ‘n boeks veur de herses veur kijge, ut stikt deur van dat *échte* Kluiredalse tuig en van die gasjes uut ‘t Spiekerkwartier!” – waarbij de spreker het woord “echte” met een door een mengsel van ontzag en afkeer met half-verstikte stem uitsprak.

Dit Tuig droeg slappe zwarte leren jasjes, foute spiegelende pilotenbrillen en dunne Italiaanse snorretjes op de bovenlip. Verder hadden ze sluik, vettig haar en hadden steevast, zo fluisterde men, “fietskettingen bij zich”.

Nota Bene: het is nooit opgehelderd of het daarbij ging om de soort ketting waarmee de trapkracht op het wiel wordt overgebracht, of de soort waarmee men de fiets op slot deed, noch wat Tuig er mee deed.

Het is gesuggereerd dat die onduidelijkheid in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de mythische angstaanjagendheid van Tuig. Men stelle zich bijvoorbeeld de volgende dialoog voor:

“Het schijnt, dat ze fietskettingen bij zich hebben!”

” *huiver* Echt waar?” (Betrokkene probeert zich nu voor te stellen hóe die fietskettingen dan wel ingezet worden, zowel voor de ene, als de andere soort ketting, maar verder dan ‘ermee slaan’ reikt de verbeelding niet … niet echt wat je zegt ‘efficiënt wapentuig’ … je zou denken dat ze voor de gebruiker meer gevaar dan nut opleveren  …. maar ja, iedereen heeft het erover, dan is het misschien wel iets zódanig engs dat ik me dat niet eens voor kan stellen … *huiver* … “) -> enz. enz.

“Drommels! Dan mogen wij wel extra goed uitkijken!”

FIELT – een Fielt is een sluwe, geslepen en desondanks enigszins Pief-achtige minkukel. De Fielt broedt akelig lachend zijn criminele plannen uit in een geheim Broedvertrek, in kleermakerszit zittend op een bed van stro en veren. De Fielt commandeert zijn of haar ondergeschikte Boeven met het hoofd half afgewend, de waanzinnige gele kraaloogjes tot spleetjes toegeknepen en voortdurend inwendig grinnikend. Als de Boeven zijn vertrokken fluit de Fielt een vals deuntje op de tanden, waarbij het hoofd op schokkerige, kip-achtige wijze met de melodie meebeweegt.

MISDADIGER – de Misdadiger pretendeert de toekomst van de criminaliteit te belichamen en figureert daartoe als “de moderne, gewetenloze Boef 2.0”, ijskoude blikken werpend, in de boevenfotoboeken van de politie en in alle Nederlandse misdaadseries. De misdadiger wijst er graag op dat de menselijke gebreken die aan de klassieke Boef kleven, zoals dat maskertje en dat malle gebrom bij het bewusteloos ineenzijgen, bij hen geheel ontbreken en dat we hier te maken hebben met een Angstaanjagende en Fonkelnieuw Herboren Vorm van De Akelige Crimineel: kil, efficiënt en gevoelloos, waarvoor we collectief onder de dekens zouden horen liggen te sidderen van angst.

Het ontgaat de Misdadiger hierbij volledig dat hij of zij ondanks de zorgvuldig gecultiveerde vlakke maniertjes, de hese stem en de uit boekjes ingestudeerde ‘onberekenbare psychopatische driftbuien’, in alle opzichten een betreurenswaardig individu is met een zeer bescheiden intelligentie dat, na een slag op het hoofd, wel degelijk een brommend geluid produceert.

SCHOFT – aan de Schoft kleeft evenwel niets moderns: Schoften zijn tijdloos. Schoften zijn, buiten de donkerbruine jute zakken waarin ze zich hullen en de wolken blauw-glimmende bromvliegen die ze aantrekken, herkenbaar aan het scheve postuur: ze trekken één schouder op en kantelen het hoofd naar diezelfde kant, alsof ze met de schouder hun oor willen stompen. Er circuleert een theorie onder deskundigen die postuleert dat bij Schoften de criminele inslag niet evenwichtig tussen het “brein” (de centrale zenuwknoop in het hoofd, verantwoordelijk voor gedrag, etc) en “de rest” is verdeeld, zodat delen van het lichaam in opstand tegen met criminele brein zijn gekomen en proberen de Schoft knock-out te slaan.

De theorie zwijgt overigs over de voor de hand liggende vraag, waarom dat dan per sé die schouders zijn die in hun eentje niet veel kunnen uitrichten, en niet de veel meer voor de hand liggend handen.

Zo zie je maar weer dat wetenschap ook niet alles is.

PLOERT – helemaal op de bodem van de criminele put – of, afhankelijk van het ingenomen standpunt, bovenaan de criminele ladder – bevindt zich de Ploert. Over de Ploert hangt een duister waas van mythische geheimzinnigheid, gevoed door de angst voor de Ploert die bij iedere crimineel met de paplepel is ingegoten.

Ook al zijn verhalen over ontmoetingen of zelfs waarnemingen van de Ploert zelfs onder criminelen doorgaans uit de tweede of derde hand: binnen het criminele milieu wordt de Ploert volstrekt au sérieux genomen en men vreest hem meer dan, bijvoorbeeld, Batman.

In elke criminele organisatie van voldoende grootte veronderstelt de crimineel een Ploert als de sturende kracht – de CEO, zeg maar; en de hiërarchie van de organisatie wordt voornamelijk in stand gehouden door de psychologische druk van de angst naar de Ploert te worden gestuurd om daar verantwoording af te moeten leggen voor het werkelijke of veronderstelde falen slecht genoeg te zijn (geweest) en dit daarna op zeer rommelige en onaangename wijze met het leven te moeten bekopen (in de criminele wereld zijn het “functioneringsgesprek” en het “persoonlijk ontwikkelingsplan” nog grotendeels onbekend).

De buitenwereld gaat er doorgaans van uit dat de Ploert een zgn. “Egregore” is: de veronderstelde gepersonifieerde “collectieve geest” van de criminele organisatie. Toch stemt het tot nadenken, dat uit analyse van de bestaande verklaringen een merkwaardig samenhangend beeld van de Ploert ‘als fysieke entiteit’ naar voren komt. Zo zou de Ploert er bij benadering uitzien als een rafelige zwarte koker zonder herkenbare uiterlijke kenmerken, ruim een meter hoog en een halve meter in doorsnee die zich sprongsgewijs voortbeweegt. Verder zou de Ploert bij het neerkomen een biologisch aandoend geluid produceren dat in een stripverhaal als “splorft” zou worden weergegeven.