En weerom kwam Tjeerd

Hoofdstuk XXXVII – waarin Tjeerd weerom komt en slot.

~ . ~ . ~

Trui plantte haar knuust’n in haar zij en staarde naar buiten. Aan de horizon leek het iets lichter te worden.

Ze snoof misprijzend. Haar stugge, onverzettelijke karakter gedijde het best in de asgrauwe schaduw van pessimisme. Met frivole, hoopgevende voortekenen zoals dit hoefde de natuur niet bij haar aan te komen, want ‘t leidt enkel tot holle stadssnoeterij.

Tenslotte sloeg de Dintherse Staertklok acht. Zwijgend draaide ze zich om, en op dat moment werd er geklopt.

“Wadratjemienoe!” siste ze, beende naar de veurdeur van de hoeve en opende hem.

‘T was Tjeerd.

“Kum d’rin”, gebaarde ze met een ruk van het harde landwerk verknoestte hoofd, en stapte opzij.

Tjeerd nam zijn pet af en kwam binnen. Trui ging hem zwijgend voor naar de opkamer, rukte het stoflaken van de antieke rookstoel en gebaarde hem plaats te nemen.

Wederom met de knuust’n in de zij, staarde Trui hem lang en zwijgend aan.

“‘k bin weerum kom’n”, sprak Tjeerd uiteindelijk. “Is’t nog wat ‘beurt in die dartig joare?”

“Nêi.”

“Wilst mie nog hên dan, Trui?”

Trui wierp een peinzende blik op de Staertklok en sprak: “De koei’n staen op spring’n, jong.”

~ . ~ . ~

Einde