Het Toestel

TOESTEL: elektrisch of electronisch. Afmetingen: van een half brood tot een leunstoel. Het Toestel is meestal in bezit van de huis-, tuin- en keuken-consument en dient vaak een huishoudelijk doel.

Anders dan Machines hebben Toestellen geen duidelijk vorm van zichzelf en worden daarom vormgegeven.

Tot ~ 1970 was hierin een zekere terughoudendheid leidend. Elektronische Toestellen hadden een smaakvolle houten kast en elektrische Toestellen een praktisch afwasbaar omhulsel van witte kunststof of witgelakt metaal.

Daarna brak voor elektronische Toestellen een onrustige periode aan die nog altijd voortduurt. Zwart gelakt metaal en geborsteld aluminium werd afgewisseld met merkwaardige bedenksels zoals de “army-look” en meedogenloos strakke lijnen wedijverden met wellustige, biologische rondingen om de hand van de consument. Elektrische Toestellen hadden het minder zwaar, met af en toe een geinig kleuraccent, maar gingen wel gebukt onder de last van almaar snorkender klinkende namen – van ”keukenmixer” naar “Turbo-Charged Fast-Food Processing Centre”, en dat soort flauwekul.

Electronische toestellen produceren licht en / of geluid en hebben doorgaans geen bewegende delen, maar elektrische toestellen vaak wel. Een enkele keer zijn dat functionele uitsteeksels (bv. handmixers), maar meestal zitten ze aan de binnenkant (bv. föhn-propellor) en zijn zonodig voor de gebruiker toegankelijk (citruspers-schraapkoepeltje, koffiemolen-mes, etcetera). Als ze mogelijk gevaar opleveren kunnen ze in bedrijf onbereikbaar worden afgesloten (“gelocked”).

Daarnaast hebben alle Toestellen meestal één of meerder niet-bewegende uitsteeksels (poten, sprieten, antennes …) en, in tegenstelling tot wat we meestal bij Apparaten zien, kunnen knoppen, schakelaars en displays aan meerdere kanten zitten.

Als elektrische toestellen geen bewegende delen bevatten, maken ze meestal iets warm of heet: denk bv. aan de strijkbout, de glanspers voor fotopapier, de soldeerbout of de broodrooster.

=======================

‘Denk erom dat je de gravin netjes aanspreekt hè! Het is “Mevrouw”, en niet “Gravin”!’
Taeke en Jelle Zaagstra, de tweeling van de dorpstimmerman, stonden duidelijk te popelen om te vertrekken.
‘Nou, vooruit dan maar!’ Moeder plukte nog een paar pluisjes van hun kleren en drukte de jongens toen ieder een papieren zak in de handen. ‘Hier, wat boterhammen met pindakaas voor onderweg. En vergeet niet haar beleefd te bedanken en die brief te geven!’

‘Nee hoor!’
‘Natuurlijk!’

De jongens sprongen op hun fiets en reden de straat uit, nagezwaaid door hun moeder.
‘Wat mieters hè, dat we die spullen mogen komen ophalen’, stelde Jelle vergenoegd vast terwijl ze bij de boerderij van Deinema de weg overstaken en linksaf sloegen.
‘En of’, hijgde Taeke, buiten adem van de tegenwind. ‘Ik vraag me af wat ‘t voor spul is!’
‘Anders ik wel’, beaamde zijn broer, ‘maar ze zeggen, dat de oude Graaf nogal een uitvinder was!’

En zo legden de gebroeders een paar kilometer af, totdat Jelle plotseling remde bij een groepje populieren langs een vaart.
‘Eerst eten’, lachte hij, ‘ik heb een honger als een paard!’
‘Huh, ja, zeker die knol van Tjalling!’, plaagde Taeke zijn broer en porde hem tussen de ribben. ‘Hier, je kan je ribben tellen!’
Dat liet Jelle natuurlijk niet over zijn kant gaan, en al spoedig rolde de tweeling schaterlachend door het gras, elk trachtend de ander in een dubbele Nelson te nemen. En zo hoorden ze het paard niet aankomen, totdat ineens de zware stem van Peer Puikstra klonk: ‘Zoo, heren, is de match nog altijd onbeslist?’

De broers lieten elkaar los en keken Peer enigszins besmuikt aan. Maar Peer moest alleen maar lachen: ‘Jelui moest eens weren hoe je eruit ziet!’
‘Drommels’, schrok Taeke, ‘wij zitten onder de modder!’
Jelle probeerde met zijn mouw de moddervlek van zijn broek te poetsen, maar het werd er alleen maar erger door.
‘Daar staan wij weer mooi mee voor paal’, zuchtte hij, en, zich naar de nog altijd schaterlachende Peer omdraaiend: ‘kun je ons niet helpen, Peer? Wij zijn op weg naar de gravin, weet je!’
‘Naar de gravin, zozo, doe maar sjiek’, grinnikte Peer nog na. Wat moet jelui daar?’
‘Ze heeft vader gezegd dat ze wat oude electrische toestellen voor ons heeft, die van de oude Graaf zijn geweest!’
‘Nou, pas dan maar op dat jelui niks doet ontploffen! De oude Graaf was een vreemde snoeshaan, zeggen ze!’
Peer keek de jongens nog eens aan. ‘Vooruit, fiets maar even mee, misschien kan Trui jelui fatsoeneren!’

Dat lieten ze zich geen twee keer zeggen, en even later stonden ze bemodderd in Peer’s bijkeuken, terwijl Peer zijn vrouw haalde die op de deel mangels aan het snokken was.
De deur ging open en daar had je Trui. Ze zette haar handen in de zij en nam de gebroeders lachend op. ‘Zozo, modderworstelaars! En dat moet zó naar de gravin?’

Taeke en Jelle knikten bedremmeld.

‘Nou kom op, kom gewoon even dicht bij het fornuis, dan droogt het op en kunnen we zó afborstelen. Lusten jullie een mok karnemelk?’
Dat lieten ze zich geen twee keer zeggen, en zo zaten ze even later warmpjes bij het grote ijzeren fornuis, elk met een grote kroes karnemelk in ene hand, en de boterham van moeder in de andere. Ze lieten het zich donders goed smaken!’
Toen ze de karnemelk ophadden nam Trui één van de opgedroogde moddervlekken keurend tussen duim en wijsvinger, greep een ruige borstel en borstelde de modder er zó uit. Na een paar minuten waren de broeders weer toonbaar.
‘Dank je wel Trui! Geweldig!’
‘Nou vórt naar de gravin met jelui nu, en geen worstelwedstrijden meer in het gras als het geregend heeft hè!’ Dat beloofden ze plechtig, bedankten Trui en Peer, en sprongen weer op de fiets.

Na nog een kwartiertje stug doorfietsen reden ze, met het grind knerpend onder hun banden, de oprijlaan van het grote landhuis op.
‘Tsjonge, wat ‘n kàst van ‘n huis hè!’ merkte Taeke op. ‘Dat zal me ‘n werk zijn om schoon te houden!’
‘Ach, daar heeft ze vast personeel voor’, veronderstelde Jelle, ‘anders zou ze stellig nergens anders aan toekomen!’
Ze zetten hun fietsen netjes tegen een boom en belden aan. De bel klonk heel ver weg. ‘Ik hoop, dat we niet te laat zijn’, fluisterde Taeke tegen zijn broer.
Maar toen werd er al opengedaan. Het was niet de gravin, maar een flink uit de kluiten gewassen vrouw met grijs haar.

‘Ha! De gebroeders Zaagstra, neem ik aan?’ lachte ze.
Taeke en Jelle knikten.
‘Komaan, jullie hebben toch niet je tong verloren?
‘Ja mevrouw, ik bedoel, nee mevrouw!’ stuntelde Taeke, terwijl Jelle zijn lachen probeerde in te houden.
‘Ik ben Geertje, de huishoudster … kom maar binnen hoor, de gravin is in de serre, haar correspondentie aan het doornemen.’
De broers hadden geen idee wat ze bedoelde. ‘Dank u wel’, knikten ze dus maar, en veegden hun voeten op de mat. Geertje ging haar voor door een lange gang waar prachtige schilderijen aan de muur hingen. De broers keken hun ogen uit! Toen kwamen ze bij een open deur aan de linkerkant, en Geertje klopte kort.
‘De gebroeders Zaagstra zijn hier’, kondigde ze aan en gebaarde de jongens door de deur naar binnen.
De serre was bijna helemaal van glas en stond vol met bijzondere planten. De gravin, een keurige oudere dame, zat in een grote rieten stoel onder een enorme tropische plant te lezen, alsof ze in Bandoeng was! Maar ze legde de brief neer en stond op toen de jongens binnenkwamen.

‘Ach … wat alleraardigst dat jullie zijn gekomen … welkom … welkom! Hier …’
Ze trok een stoel naderbij, en Geertje kwam met een krukje aan.
‘Ga lekker zitten, lusten jullie een kopje thee misschien?’
Dat lustten ze wel. En toen Geertje de thee had gebracht bedacht Taeke zich ineens de brief van moeder. Hij stootte zijn broer aan. ‘Jelle! De brief!’
Jelle verslikte zich zowat in een slok thee, en hij kreeg even een rood hoofd, maar hij voelde in de grote steekzak van zijn kiel en haalde de envelop tevoorschijn.

‘Alstublieft mevrouw’, stamelde hij en gaf de envelop aan de gravin. ‘Us mem – onze moeder’, herstelde hij zich na een por van Taeke ‘onze moeder heeft die voor u meegegeven.’
‘Ach, ja! Waar is mijn briefopener nou toch weer gebleven …’ de gravin rommelde tussen haar papieren, en vond er tenslotte een soort koperen mes tussen, waarmee ze de envelop opensneed.
‘Moeder doet dat altijd gewoon door ze open te scheuren’, merkte Jelle op, de blikken van zijn broer negerend.
‘Werkelijk? Maar ja, waarom ook niet?’ lachte de gravin.

Ze vouwde de brief open en las hem snel door. ‘Hmm .. ja, ach, wat aardig. Héél attent. Help me herinneren dat ik jullie straks een brief voor haar meegeef, willen jullie?’
De jongens knikten. Ze probeerden zich allebei voor te stellen wat er in de brief stond.
Maar lang de tijd kregen ze daar niet voor, want de gravin dronk haar theekopje leeg en zette het op het schoteltje terug. ‘Welnu’, hervatte ze, ‘jullie weten waarom je hier bent?’

De broers knikten beamend.

‘Ik was de spullen van wijlen mijn man Sybren aan het opruimen’, vertelde ze, ‘en je moet weten dat hij gewéldig gefascineerd was door alles wat maar elektrisch was. Hij experimenteerde heel wat af en ‘t was hier af en toe nét Menlo Park! Vooral die keer – ‘

Geertje kwam binnen met een verse pot thee.

‘Ach, ik vertel de jongens net over Sybren’s meer avontuurlijke experimenten .. weet jij nog wat hij toen die ene keer had geconstrueerd – dat duivelse tuig waarbij hij ‘t deed bliksemen dat het een aard had?’
‘Dat moet die Tesla-generator zijn geweest’, antwoordde Geertje direct. ‘Dat was me wat, ja! Toch schijnt het dat het ongevaarlijk was.
‘Nou, het maakte me een leven, ik vond het maar griezelig!’ De gravin nam een klein slokje van haar met nieuw ingeschonken kop thee.

Jelle en Taeke keken elkander aan, maar ze durfden eigenlijk niet om uitleg te vragen.

‘Enfin, ‘k zal jullie jongelui niet al te veel mee met die geschiedenissen vermoeien, al kan ‘k er wel een boek over schrijven. Tiens, misschien moet ik dat ook maar eens doen, wat jij, Geertje?’
‘Een deksels fijn plan, mevrouw!’ antwoordde Geertje, terwijl ze de broers nogmaals een kop thee inschonk, en ze knip-oogde tegen hen en lachte: ‘ik zeg ‘t al járen tegen haar dat ze dat boek moet schrijven!’
‘Ehhh’, aarzelde Jelle, en Taeke keek verlegen naar de gravin, ongemakkelijk met de situatie.
‘Komaan’, lachte de gravin, ‘we moesten onze gasten niet zo plagen! En, tot de jongens: ‘Let er maar niet op hoor, ‘t is enkel gekkigheid!’

‘Enfin’, vervolgde ze, ‘wa’k zeggen wilde: er is nogal wat van dat elektrische spul over. De handelaar in oude metalen had er geen belangstelling voor, maar hij dacht dat ‘t wellicht iets voor ‘n hobbyist was. En jullie bent lokaal inmiddels beroemd om jullie handigheid met elektriciteit, dus vandaar …’ Ze dronk haar kopje thee leeg, met de pink keurig in de lucht.

Ze had daar wel gelijk in: Jelle en Taeke hadden ondanks hun prille leeftijd inmiddels een naam opgebouwd wat betrof het kunnen repareren van lichtschakelaars, wandcontactdozen en zelfs radio’s. Zelf waren ze daar nogal laconiek over: ‘Gewoon rustig kijken of er wellicht ‘n draadje loszit’, zo placht Taeke het samen te vatten.

‘Komaan!’ stond de gravin kordaat op. ‘Ik geloof, dat Gerrit alles in de schuur heeft gezet.’
Ze ging de gebroeders voor naar een schuurtje achterin de tuin, opende de deur en knipte het licht aan.
De mond viel hen van verbazing wijd open! Ze hadden misschien een doos met draden verwacht, maar er stonden verscheidene radio-toestellen; een gedemonteerde Marconi-scheepszender; Ruhmkorff-inducteurs, een geheimzinnig uitziende grote spoel met een metalen bol erbovenop; en dozen vol met vacuüm-buizen, weerstanden, spoelen en wat dies meer zij. Ze keken zich de ogen uit!

De gravin keek hen geamuseerd aan, want ze vergaten warempel de mond weer de sluiten.
‘Wel’, informeerde ze, ‘is ‘t nog de moeite waard?’
‘Ik …. wij …’ stamelde Jelle, ‘ik bedoel, dat zijn zowaar complete toestellen, en al die onderdelen … Taeke, zeg eens wat!’ Jelle porde zijn broer, die ook niet wist wat hij zeggen moest!
‘Het … het is prachtig, maar zo véél! Is dat werkelijk allemaal voor ons?’
‘Oh ja alsjeblieft, wat moet ik ermee? Ik zal blij zijn, als ik ‘t kwijt ben!’
‘Maar … hoe krijgen wij dat ooit mee op onze fiets?’ vroeg Jelle zich af.
‘Nou, je neemt gewoon het fiets-karretje van Geertje mee, dat gebruikt ze toch de eerste dagen niet. Als je ‘t vóór donderdag maar terugbrengt!’

De broeders keken elkaar aan: ‘Mieters!’ brachten ze als in koor uit.

— Knerpje Krentstra: ‘De jongens van Radio PHABO’