Leaf by Niggle & Smith of Wootton-Major

Fantasie en werkelijkheid in Tolkien’s werk

Voordat ik iets zeg over Smith of Wootton-Major en Leaf by Niggle wil ik eerst iets vertellen over de aard van Tolkien’s creatieve proces. Dat is omdat ik denk dat deze twee korte verhalen kunnen worden gelezen als een soort Meta-Tolkien; als een beschrijving van hoe hij zijn creatieve proces heeft ervaren. 

Hoewel de verhalen op zichzelf gezien natuurlijk erg de moeite waard zijn, denk ik dat ze aan betekenis winnen door deze diepere laag.

Tolkien had hier een zeer uitgesproken en ongebruikelijke opvatting over. Mijn vader, ook een groot Tolkien-liefhebber, heb ik ooit tegen mijn moeder horen zeggen: “wist je, dat Tolkien altijd het idee had dat hij zijn verhalen niet verzon, maar ontdekte?” Ik heb daar toen verder geen aandacht meer aan geschonken, maar een paar jaar geleden ben ik me er in gaan verdiepen.

They (the words, images and stories) arose in my mind as given things, and as they came, separately, so too the links grew […]

Yet always I had the sense of recording what was already ‘there’, somewhere, not of ‘inventing'”.

(Letters)

Je komt het tegen in zijn brieven, in On Fairie-Stories, en bijvoorbeeld in het gedicht Mythopoeia, gericht aan zijn vriend C.S. Lewis:

The heart of man is not compound of lies,
but draws some wisdom from the only Wise,
and still recalls him. Though now long estranged,
man is not wholly lost nor wholly changed.
Disgraced he may be, yet is not dethroned,
and keeps the rags of lordship one he owned,
his world-dominion by creative act:
not his to worship the great Artefact,
man, sub-creator, the refracted light
through whom is splintered from a single White
to many hues, and endlessly combined
in living shapes that move from mind to mind.
Though all the crannies of the world we filled
with elves and goblins, though we dared to build
gods and their houses out of dark and light,
and sow the seed of dragons, ’twas our right
(used or misused). The right has not decayed.
We make still by the law in which we’re made.

(Mythopoeia)

In Tolkien’s visie op de verbeeldingskracht, het creatieve proces, zijn er twee “scheppingen”. Er is de primaire schepping – the great Artifact – die bestaat uit de gegeven, externe, objectieve wereld; en er is de secundaire schepping of “sub-creation” die in ieder geval voor een deel door de (menselijke) verbeelding tot stand komt. Dit idee is al zo oud als de geschiedenis. Je komt het niet zozeer tegen in de mainstream tradities, maar eerder in wat je zou kunnen noemen de mystieke, alternatieve tradities. De kern van die gedachtenwereld is voor ons lastig te vatten, omdat we zo gewend zijn aan dat iets ofwel waar, ofwel onwaar is. Iets is ofwel een feit; en zo niet: dan bestaat het niet. Daarom staat in ons collectieve denken fantasie gelijk aan leugen.

Maar in die gnostische traditie maakt men een andere indeling. In die opvatting kan iets, dat geen feit is, wel degelijk waar zijn. Daarmee wordt de verbeelding tot iets wat gelijkwaardig kan zijn aan feitelijkheid.

Niet identiek, maar van even groot belang – of zelfs groter. Zoals Tolkien probeert uit te leggen in On Fairie-Stories : kijk, als je bepaalde functies van je eigen geest gebruikt, dan kun je daarmee toegang krijgen tot de realiteit van deze verbeelding (Fairie*).

(* Fairie wordt ook wel gespeld als Faery of Faerie)

Zowel Leaf by Niggle als Smith of Wootton-Major zijn, naar mijn idee, verslagen van Tolkien’s relatie met het peilloos grote en diepe deel van de realiteit dat hij Fairie noemde (of The Perilous Realm); en waar onze cultuur vrijwel blind voor is geworden.

Tales from the Perilous Realm

Leaf by Niggle (LBN) en Smith of Wootton-Major (SWM) staan al zo lang ik me kan herinneren in de boekenkast van mijn ouders. En hoewel ik ze ooit wel eens diagonaal heb doorgelezen zijn ze nooit echt bij me binnengekomen; tenminste bij lange na niet in de mate zoals bijvoorbeeld de Silmarillion dat heeft gedaan.

Een paar jaar geleden raakte ik opnieuw in die verhalen geïnteresseerd. Ik kocht de extended edition van SMW en vond een BBC-bewerking van beide verhalen: sinds ik de Silmarillion heb horen vertellen door Martin Shaw vind ik dat je naar Tolkien nog beter kunt luisteren dan het lezen.

Waar Tolkien normaal al het idee had zijn verhalen te “ontdekken”, voor LBN geldt dat nog sterker. Ergens in de jaren 30 werd hij op een ochtend wakker, met het verhaal van Leaf by Niggle (LBN) compleet, van begin tot einde, in zijn hoofd. Hij hoefde het enkel maar uit te schrijven. Smith of Wootton-Major (SWM) dateert van dertig jaar later: het is ontstaan als een introductie die Tolkien was gevraagd te schrijven op George MacDonald’s The Golden Key. Tolkien kende dit boek uit zijn eigen jeugd, maar toen hij het opnieuw las vond hij het veel slechter dan hij het zich herinnerde. En bij wijze van voorbeeld van wat in zijn ogen een Fairie-Story behoorde te zijn, schreef hij Smith of Wootton-Major. Maar wat als voorbeeld was bedoeld in een introductie voor een ander verhaal groeide uiteindelijk uit tot een verhaal op zichzelf.

Tolkien had een uitgesproken hekel aan allegorieën. Het is één van de redenen waarom zijn vriendschap met C.S. Lewis uiteindelijk geen stand hield: Tolkien beschouwde de Narnia-verhalen als christelijke allegorieën, of zelfs als christelijke propaganda. Hij heeft zich ook altijd fel verzet tegen pogingen om LOTR te duiden, op wat voor manier dan ook. Ik denk dat dat terecht is; maar ik denk dat LBN en SWM daarin verschillen van de rest van zijn werk en wel degelijk kunnen worden gelezen als “toepasbaar op Tolkien zelf”. Het is niet alleen zo dat die interpretatie goed past; maar in dit licht gezien winnen ze ook aan diepte en betekenis.

Leaf  by Niggle

De hoofdpersoon van LBN is een kunstschilder: Niggle. Die naam betekent iets als priegelaar, wat ook duidelijk wordt in de beschrijving: “He was the kind of painter that could paint leaves better than trees”. Niggle is niet erg succesvol, maar daar maalt hij niet om. Het enige dat Niggle wil, is zijn Grote Schilderij afmaken, vóórdat bij op reis moet.  Hoofdmotief van het Grote Schilderij is de Grote Boom, die een eigen leven lijkt te hebben: naarmate de boom vordert, ontstaat er haast vanzelf een landschap omheen compleet met verre bergketens en allerlei bijzondere vogels nestelen zich in de takken.

Het is lastig om genoeg tijd vrij te maken om aan het schilderij te werken, vooral omdat zijn buurman Parish hem aldoor lastig valt met onbenullige problemen.

Niggle krijgt zijn schilderij helaas niet af voordat de chauffeur hem komt halen, om hem naar de trein te brengen. Hij heeft zelfs niet eens goed gepakt en moet onvoorbereid op reis.

Als de trein aankomt, laat hij ook nog zijn tekendoos en schetsboek in de trein liggen. Omdat hij niks heeft, moet hij voorlopig naar “the Workhouse”. Overmand door verwarring en vermoeidheid stort hij in. Als hij bijkomt en zich beter voelt, krijgt hij werk. Simpel werk. Zagen. Graven. Dag in, dag uit. Maar Niggle trekt het niet en stort opnieuw in.

De dokter schrijft absolute rust voor en Niggle ligt in het donker na te denken over zijn leven. Na een onbepaalde tijd wordt hij zich gewaar van twee stemmen, een strenge, en een medelevende stem, die over hem praten. De twee proberen het eens te worden over wat ze met Niggle aan moeten. Uiteindelijk besluiten ze dat het tijd is “for a little gentle treatment”.

De volgende morgen wordt Niggle wakker door de zon die naar binnen schijnt. Hij ontbijt en krijgt vervolges een kaartje voor een gloednieuwe trein, die speciaal voor hem gemaakt lijkt te zijn. De trein vertrekt, tuft door de groene heuvels en stopt uiteindelijk ergens middenin het landschap. Niggle stapt uit en treft zijn eigen fiets aan, die tegen het hek geleund staat. Hij springt erop en fietst door een landschap dat hem steeds bekender en bekender voorkomt. Plotseling doemt voor hem een enorme boom op, en Niggle valt van schrik van zijn fiets. Als hij opstaat en de boom bekijkt, realiseert hij zich dat het zijn eigen Boom is. De boom die hij geschilderd heeft. Af. Hij spreidt zijn armen in verbijstering: “Het is een geschenk!”

Maar het verhaal gaat verder: Niggle is ervan overtuigd dat hij zijn buurman, Parish, nodig heeft. Hij wil niet dat de boom en alles eromheen er alleen maar voor hemzelf is. En Parish komt: Niggle ontdekt hem iets verderop, verbijsterd rondkijkend met een spade in de hand. Samen vervolmaken ze Niggle’s schepping en terwijl ze dat doen komen ze beide tot rust en raken hun kwaaltjes kwijt. Als ze voelen dat hun werk erop zit en de boom in volle bloei staat, maken ze een lange wandeling tot aan de grenzen van het gebied, daar waar de bergen beginnen. In de heuvels komt er iemand op hen af, die vraagt of ze een gids nodig hebben. Niggle twijfelt, want hij wil Parish niet in de steek laten. Maar Parish beslist zelf dat hij op zijn vrouw moet wachten, waarvan hij hoopt “dat ze haar naar hem toe zullen sturen”. Het wordt dan ook aan Parish duidelijk dat het hele gebied Niggle’s schepping is – en hij is verbijsterd. De gids legt hem uit dat Niggle toch altijd hier al mee bezig was, maar dat Parish nooit goed naar het schilderij heeft gekeken.

Niggle zegt dat hij misschien niet genoeg heeft geprobeerd het uit te leggen; maar dat het niks uitmaakt: “Het gaat erom, dat we samen hebben geleefd en gewerkt. Het had misschien anders kunnen gaan, maar zeker niet beter! We zullen elkaar vast weer zien.”

En zo gaat Niggle met de gids mee, de bergen in, alsmaar verder, hoger en hoger.

Niggle heeft maar één doel: zijn Grote Schilderij met de Boom afmaken – vóórdat hij op reis moet. Wat die reis betekent wordt niet expliciet gemaakt; maar het is een point of no return. Daarna kan hij beslist niet meer aan zijn schilderij werken; er is zelfs geen sprake van dat hij terug kan. Hij is daarna niet alleen op een andere plek maar lijkt ook in een heel andere toestand te komen: hij vergeet op een gegeven moment zelfs wat er zo belangrijk was aan dat schilderij.

De treinreis voert hem naar een soort louteringsproces, en daarna wordt hij doorgestuurd naar het land van zijn eigen verbeelding. Daar vervolmaakt Niggle zijn schilderij dat nu realiteit is geworden – of tenminste, het is de realiteit voor de toestand waarin Niggle zich dan bevindt. Het is zelfs groter dan Niggle zelf geworden: zelfs Parish (die eerst niks van Niggle’s schilderkunst moest weten) wordt diep geraakt door wat hij aantreft en werkt vanaf dat moment mee om het te vervolmaken. Daar eindigt het niet bij: als Niggle’s Country af is, realiseert Niggle dat hij verder moet, naar de bergen die al in in de marges van zijn oude schilderij verschenen.

Er wordt nergens expliciet gemaakt wat die reis inhoudt. Alleen aan het einde, als Atkins en Tompkins over Niggle zitten te roddelen, wordt eraan gerefereerd:

“Put him away? You mean you’d have made him start on the journey before his time?”

“Yes, if you must use that meaningless old expression. Push him through the tunnel into the great Rubbish Heap: that’s what I mean.”

(Leaf by Niggle)

Ik denk dat Niggle’s reis symbool staat voor de dood. Daarmee wordt LBN een vertelling over het hiernamaals; ik denk dat ik deze aanname kan maken omdat Tolkien  een religieus man was; ik ga ervan uit dat het concept voor hem vertrouwd was. Het is opvallend maar kenmerkend voor Tolkien, dat hij hierbij niet in katholiek dogma vervalt, maar trouw blijft aan wat aansluit bij zijn eigen gevoel en ervaring. Feitelijk vertelt hij hetzelfde verhaal in Mythopoeia: dat de creatieve verbeelding het geboorterecht is van de mens, die, als sub-creator, aan de schepping verder bouwt:

I will not treat your dusty path and flat,
denoting this and that by this and that,
your world immutable wherein no part
the little maker has with maker’s art.
I bow not yet before the Iron Crown,
nor cast my own small golden sceptre down.

(Mythopoeia)

Niggle doet dat tijdens zijn leven middels zijn Grote Schilderij, maar hij merkt pas achteraf wat het resultaat daarvan is:

“Are you a guide?” [Parish] asked. “Could you tell me the name of this country?”
“Don’t you know?” said the man. “It is Niggle’s Country. It is Niggle’s Picture, or most of it: a little of it is now Parish’s Garden.”
“Niggle’s Picture!” said Parish in astonishment. “Did you think of all this, Niggle? I never knew you were so clever. Why didn’t you tell me?”
“He tried to tell you long ago,” said the man; “but you would not look. He had only got canvas and paint in those days, and you wanted to mend your roof with them. This is what you and your wife used to call Niggle’s Nonsense, or That Daubing.”
“But it did not look like this then, not real,” said Parish.
“No, it was only a glimpse then,” said the man; “but you might have caught the glimpse, if you had ever thought it worth while to try.”

(Leaf by Niggle)

Wat daaraan verder opvalt is dat de twee Stemmen die in eerste instantie als een soort coach of leraar over hem oordelen, hem uiteindelijk als één van hen beschouwen:

“It is proving very useful indeed,” said the Second Voice. “As a holiday, and a refreshment. It is splendid for convalescence; and not only for that, for many it is the best introduction to the Mountains. It works wonders in some cases. I am sending more and more there. They seldom have to come back.”
“No, that is so,” said the First Voice. “I think we shall have to give the region a name. What do you propose?”
“The Porter settled that some time ago,” said the Second Voice. “Train for Niggle’s Parish in the bay: he has shouted that for a long while now. Niggle’s Parish. I sent a message to both of them to tell them.”
“What did they say?”
“They both laughed. Laughed — the Mountains rang with it!”

(Leaf by Niggle)

LBN heeft het effect dat het een oneindig vergezicht projecteert: Niggle gaat eerst van zijn gewone bestaan over in zijn eigen sub-creatie, maar daar houdt het niet op. Als zijn werk aan die sub-creatie erop zit, trekt hij verder de bergen in:

He was going to learn about sheep, and the high pasturages, and look at a wider sky, and walk ever further and further towards the Mountains, always uphill. Beyond that I cannot guess what became of him. Even little Niggle in his old home could glimpse the Mountains far away, and they got into the borders of his picture; but what they are really like, and what lies beyond them, only those can say who have climbed them.

(Leaf by Niggle)

LBN heeft daarmee een duidelijk transcendent karakter, of zoals iemand anders het omschreef – salvific (ik weet geen goed Nederlands woord hiervoor). Het heeft op mij in ieder geval die eigenaardige, intens bevrijdende uitwerking die Tolkien omschreef als eucatastrophe:

The consolation of Faery-stories, the joy of the happy ending: or more correctly of the good catastrophe (eucatastrophe), the sudden joyous “turn” (for there is no true end to any Faery-tale): this joy, which is one of the things which Faery-stories can produce supremely well, is not essentially “escapist,” nor “fugitive.” In its Faery-tale—or otherworld—setting, it is a sudden and miraculous grace: never to be counted on to recur. It does not deny the existence of dyscatastrophe, of sorrow and failure: the possibility of these is necessary to the joy of deliverance; it denies (in the face of much evidence, if you will) universal final defeat and in so far is evangelium, giving a fleeting glimpse of Joy, Joy beyond the walls of the world, poignant as grief.

It is the mark of a good Faery-story, of the higher or more complete kind, that however wild its events, however fantastic or terrible the adventures, it can give to child or man that hears it, when the “turn” comes, a catch of the breath, a beat and lifting of the heart, near to (or indeed accompanied by) tears, as keen as that given by any form of literary art, and having a peculiar quality.

(on Fairie-Stories)

Ik denk dat The Silmarillion Tolkien’s eigen Great Painting was. Ik bedoel niet de Silmarillion zoals die na zijn dood door Christopher Tolkien is gepubliceerd, maar datgene waar hij bij de Slag om de Somme aan was begonnen. Dat wat hij had geprobeerd vorm te geven in proza en poëzie; had herschreven en nog eens herschreven en wat hij tegelijk met LOTR had willen publiceren. De levende, groeiende Great Tree of Stories die was uitgegroeid tot een venster op een landschap dat zich tot in het oneindige uitstrekte: de complete, samenhangende mythos van Middle-Earth.

Gedurende zijn hele leven wilde Tolkien die Silmarillion voltooien en publiceren. Op het eerste gezicht is dat is hem, net als Niggle, niet gelukt. Er waren teveel andere zaken die zijn aandacht opeisten, en later in zijn leven ontdekte hij dat hij niet meer de beelden op kon roepen die hem oorspronkelijk al het materiaal voor The Lost Tales hadden opgeleverd. En dit is precies het thema van Smith of Wootton-Major.

Smith of Wootton-Major

Tolkien noemde dit verhaal “An old man’s tale, already weighed down with a sense of bereavement”.

Het gaat over Smith, inderdaad de smid van het dorp Wootton-Major (Groot-Wolding). Dit dorp heeft altijd geprofiteerd van zijn ligging, vlakbij bij de grenzen van Fairie. Het heeft een sterke band daarmee, al zijn maar weinigen in het verhaal zich daar van bewust.

Als kind wordt Smith als één van de vierentwintig kinderen uitgenodigd bij het Twenty-four Feast waarin traditioneel de Grote Taart onder de kinderen wordt verdeeld. In deze taart worden door de kok kleine verrassingen gestopt: muntjes, kraaltjes en dergelijke, die de kinderen dan in hun stuk taart ontdekken. Maar deze keer is er door de nieuwe leerling-kok – Alf – iets bijzonders in de taart verborgen.

Alf komt overigens niet uit het dorp, maar is door de vorige Meester-kok op een van zijn reizen meegenomen naar Wootton-Major,. Niemand vermoedt dat Alf geen gewone sterveling is, maar iemand uit Fairie (Alf –> Elf). Wat Alf in de taart stopt, om door Smith gevonden te worden, is een Fay Star die toegang geeft tot Fairie aan degene die hem draagt.

Smith heeft het eerst niet eens door: hij slikt de ster door met een hap taart. Maar een paar maanden later komt die ster plotseling uit zijn mond tevoorschijn. Verbaasd pakt Smith hem, en als de ster lijkt te gaan zweven als hij zijn hand opent, klapt hij zijn hand in een impuls tegen zijn voorhoofd, zodat de ster daar blijft zitten.

Door die ster vindt Smith de weg naar het verborgen Fairie, en hij maakt daar in zijn leven een aantal reizen naartoe. Deze worden in het verhaal kort beschreven: hij maakt wondermooie, maar ook beangstigende dingen mee. Fairie bestaat niet uit suikergoed en marsepein:

(…) for the star shone bright on his brow, and he was as safe as a mortal can be in that perilous country. The Lesser Evils avoided the star, and from the Greater Evils he was guarded. For that he was grateful, for he soon became wise and understood that the marvels of Faery cannot be approached without danger, and that many of the Evils cannot be challenged without weapons of power too great for any mortal to wield.

(Smith of Wootton-Major)

Die reizen hebben tastbare gevolgen voor Smith: zowel op de kwaliteit van zijn werk, maar ook fysiek voor hemzelf. Hij lijkt groter te zijn als hij terugkomt, vitaler. Er hangt een waas van licht om hem heen; en hij brengt een kleine bloem mee terug, die ook na jaren niet verwelkt.

Op zijn laatste reis komt hij de Koningin van Fairie tegen. Ze hebben een lang gesprek waarin ze hem dingen vertelt die hem verheugen, maar ook dingen die hem verdriet doen. Het inzicht begint bij hem te dagen dat hij weer afstand zal moeten doen van zijn voorrecht. Op de weg terug naar huis komt hij Alf tegen, de vroegere assistent-kok. En dan blijkt dat Alf de Koning van Fairie is, die hem vraagt afstand te doen van de ster. Hoewel Smith verdriet voelt om dit verlies stemt hij in. Hij geeft de ster vrijwillig terug aan Alf, die hem bij het komende Twenty-four Feast opnieuw in de taart verstopt, zodat een volgende uitverkorene hem kan vinden.

Er zijn blijkbaar af en toe individuen die het is gegeven om naar the Perilous Realm te kunnen reizen. Met wat ze hun reizen meemaken kunnen ze gebruiken om hun creativiteit te voeden; al betekent het voor hen persoonlijk veel meer dan dat alleen.

Voor Tolkien begon dit proces in zijn studententijd, toen hij optrok met zijn vrienden van de TCBS. Een enkel los woord – Eärendel -, een serie tekeningen die plotseling van extern-realistisch naar intern-magisch lijken om te slaan, een gedicht – Kortirion among the Trees – ze markeren het begin van zijn reizen naar Fairie. Voor hem was het een overweldigend intense ervaring, en hij heeft zijn hele leven geprobeerd om al dat materiaal een samenhangende vorm te geven. Dat is hem niet gelukt. Natuurlijk heeft hij the Hobbit gepubliceerd en the Lord of the RIngs, maar dat was niet de kern van zijn ambitie. Zowel The Hobbit als LOTR zijn ontstaan aan de marge van zijn verbeelding, en groeiden pas later naar de mythos toe en sloten erop aan.

Toen LOTR af was, weigerde hij het in eerste instantie te publiceren als niet tegelijk The Silmarillion gepubliceerd kon worden. Zo belangrijk vond hij de context waarin het moest worden gezien, ook al was zijn eis compleet onmogelijk. Niet alleen was er de na-oorlogse papierschaarste (waardoor LOTR noodgedwongen in drie delen verscheen), maar de Silmarillion bestond niet eens als een boek in publiceerbare staat: het bestond uit dozen vol manuscripten waarvan de samenhang zelfs voor hemzelf niet overal duidelijk was.

Gelukkig is hij later van gedachten veranderd en is LOTR zonder The Silmarillion gepubliceerd. En gelukkig voor ons heeft Christopher de wens van zijn vader zo goed mogelijk gehonoreerd door uiteindelijk alles uit te geven (The History of Middle-Earth), zonder de pretentie om een samenhangend geheel te presenteren.

SWM heeft niet zo’n subliem, gelukkig en transcendent einde als LBN. Het draait om de lotgevallen van iemand die uitverkoren is om dat verborgen gebied te kunnen betreden. Als je het zo droog en rationeel mogelijk wil omschrijven: de lotgevallen van een uitzonderlijk creatieve geest. Maar naast de lusten van dit lot zijn er ook de lasten: er is altijd de plicht om deze gave te gebruiken om de alledaagse wereld ermee te verrijken. En er ook de keerzijde van het afscheid moeten nemen, als de ster naar iemand anders gaat.

Ik weet niet waarom Tolkien dit aspect zo benadrukt in SWM, terwijl het nauwelijks een rol speelt in LBN. Ik kan het wel enigszins navoelen: in de tijd dat hij SWM schreef, had hij lang en tevergeefs geprobeerd om de Silmarillion in een uiteindelijke vorm te gieten, zodat hij het kon publiceren. Misschien dat het besef daarin gefaald te hebben verantwoordelijk is voor dit gevoel van verlies in SWM.

Maar ondanks dat het hem niet is gelukt om een samenhangende Silmarillion te publiceren die recht deed aan hoe hij de mythos ervaren heeft, is hij er wel degelijk in geslaagd om die ervaring over te dragen. Ik denk dat Christopher niet beter had kunnen beslissen dan hij heeft gedaan om “gewoon alles” te publiceren. Het is misschien wel fundamenteel onmogelijk om iets van die orde en complexiteit in een samenhangend werk te “bevriezen”, want die mythos is net zoals de Great Tree een levend iets:

A great green shadow came between him and the sun. Niggle looked up, and fell off his bicycle. Before him stood the Tree, his Tree, finished. If you could say that of a Tree that was alive, its leaves opening, its branches growing and bending in the wind that Niggle had so often felt or guessed, and had so often failed to catch. He gazed at the Tree, and slowly he lifted his arms and opened them wide.
“It’s a gift!” he said. He was referring to his art, and also to the result; but he was using the word quite literally.
He went on looking at the Tree. All the leaves he had ever laboured at were there, as he had imagined them rather than as he had made them; and there were others that had only budded in his mind, and many that might have budded, if only he had had time.

(Leaf by Niggle)