De Toren en het Panopticon

Een poging tot analistenanalyse

Dit stuk is het resultaat van vragen die al jaren in mijn hoofd rondspoken.

Soms houden ze zich een tijd lang koest in een afgelegen hoekje, om dan ineens weer tot grote activiteit geprikkeld te worden, zoals bijvoorbeeld gebeurde na het lezen van recente Lembassen (Lembais?). Daarin stond een tweetal artikelen waarin een beeld van Midden-Aarde werd geschetst als wemelend van de panopticons en andere Foucaultiaanse machtsmiddelen.

Natuurlijk staat het iedereen vrij om wat voor analyses en vergelijkingen dan ook op Tolkien’s werk los te laten. Net zoals dat het mij vrij staat om daarover te vinden dat ik de zin van dat soort analyses vaak ver te zoeken vind; of zelfs dat het lezen ervan me in een staat van naar adem happende verbijstering achterlaat.

Ik heb weleens gedacht dat ik de achtergrond of opleiding mis om bepaalde analyses op waarde te kunnen schatten. Ik bedoel dit niet cynisch: hoewel ik dol ben op satire en absurde humor, ben ik werkelijk benieuwd hoe anderen dit ervaren. 

Ik bedoel niet speciaal die raadselachtige fascinatie met panopticons; maar op de veel algemenere drang naar uitleggen, het opvatten als, verklaren, bronnenonderzoek, parallellen zoeken, duiden en analyseren.

Een flink deel van wat er over Tolkien wordt geschreven valt daaronder.

En avant!

Een fictief voorbeeld. De hippe, postmoderne Franse filosoof Bertram Trois-Protubérances-Nasales heeft in academische kringen veel stof doen opwaaien met zijn polemisch manifest “En avant! Vers la déconstruction totale de toutes les Vérités Bourgeois!” waarin hij zijn radicale ideeën over vriendschap, opofferingsgezindheid en trouw uiteenzet. Volgens Trois-Protubérances-Nasales zijn dit allemaal vormen van verraad aan wat in wezen de enige echte band waartoe de mens in staat is, nl. die aan zichzelf: 

“Nu ga ik aan de hand van mijn ideeën proberen aan te tonen hoe je de vriendschapsband tussen Frodo en Sam ook kunt opvatten als een vorm van verraad aan wat feitelijk hun diepste loyaliteit (leurs loyalités plus profondes) zou moeten zijn, nl. zichzelf (eux-mêmes). Het zal daarmee duidelijk worden dat het feit dat Frodo na afloop van het avontuur steeds opnieuw ziek wordt, daarmee de straf (le Punique Autoréflectif Maximalisé) is die zijn ego aan hem oplegt. 

Alors: we kunnen hiermee ook inzien dat Monseigneur Sauron in deze opvatting het meeste trouw aan zijn ego is: hij is daarmee, paradoxaal genoeg, op de lange termijn de echte overwinnaar. Zijn Ego zal steeds opnieuw vorm aannemen (se reconstitutioner), in tegenstelling tot dat van Frodo, wat door de achterdeur (la Porte Dérobée) van de Grijze Havens aan de zichtbare wereld wordt onttrokken (l’Effondrement Parfaite de son Propre Ego en Tant que Tel). Whooaah!”

Natuurlijk is dit flauwekul. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit voorbeeld niet buitenissiger of meer vergezocht dan veel artikelen die wel degelijk serieus zijn bedoeld. Hier speelt ook het Sokal-effect een rol: die hippe filosofie is zodanig ondoorgrondelijk dat zelfs degenen die er beroepshalve mee bezig zijn geen onderscheid kunnen maken tussen een echt artikel, en iets wat door een simpel computerscript wordt gegenereerd (google maar eens op “sokal affair” en “postmodernism generator”).

Maar die uitleggeritis drijft ook de meer alledaagse, nuchtere auteurs. Zoals ik hierboven zei: je ziet het in bijna alles wat er over Tolkien wordt geschreven.
Uiteraard wil ik niet alles op één hoop gooien: er is een wereld van verschil tussen bijvoorbeeld Tom Shippey of Verilyn Flieger enerzijds, en die postmoderne piasserij als van Mr. Trois-Protubérances-Nasales. 

Neem bijvoorbeeld het gebied waar ik het meest bij betrokken ben: de door Tolkien beschreven talen zoals Sindarin en Quenya. Ik ben al meerdere keren op artikelen gestuit waarin triomfantelijk wordt geroepen dat “Sindarin is gewoon creatief verhaspeld Welsh!”. Nou is dat volgens mij kletsika. Maar goed, kletsika moet er ook zijn. 

Op een gegeven moment realiseerde ik me dat waar ik me echt aan ergerde niet zozeer de inhoud was, maar de toon: de houding van waaruit wordt verkondigd, verklaard, uitgelegd en geduid. Er kleeft iets aan dat triomfantelijke (in dit voorbeeld het woordje ‘gewoon’) wat ik niet kan vatten; iets dat me tegelijk fascineert en ergert. En wat die vier klaverjassende spoken in dat hoekje van mijn hoofd weer tot wekenlang middernachtelijk boe-geroep en gerammel met ketenen aanspoort.
Wat drijft iemand om naar dat soort verklaringen te zoeken? En ze te willen delen? Wat hoopt hij of zij ermee te bereiken? En bovenal dus: waarom die zelfgenoegzaamheid?

Tja, die zelfgenoegzaamheid … ik kan het niet helpen, maar het beeld blijft zich opdringen van een kat die trots komt binnenwandelen met een dode muis bungelend in de bek, in de hoop dat hij je er een plezier mee doet.

‘Tja, ok. Brave poes (ronkeRonk, knorROnkk). Dank je wel hoor!‘ (Maar wat moet ik ermee?)

Die muis komt in allerlei gedaanten.
Wat Tolkien’s invloeden waren.
Welke andere mythes hem geïnspireerd zouden kunnen hebben.
Of, inderdaad, of Sindarin en Quenya niet eigenlijk gebaseerd zijn op Welsh en Fins.
Of bepaalde personen uit zijn verhalen trekjes hebben van bepaalde familieleden van Tolkien.
Of hij misschien een boodschap had.
Welke elementen uit zijn verhalen lijken op elementen uit de sprookjes van Grimm (de laatste die ik een paar weken geleden hoorde was: is Lúthien Tinúviel niet eigenlijk een soort Rapunzel-reïncarnatie?) – het voelt voor mij allemaal als een filmcriticus die gaat zitten turven hoeveel Gauloises Jean Gabin bij elkaar heeft opgepaft in die existentialistische Film Noirs waarin hij op bed liggend en naar het plafond starend, in een zwarte coltrui naar Thelonious Monk ligt te luisteren.

“423? Tja. Best veel hè. Maar wat moet ik ermee?”

Scholars vs. Creators

In de wereld van de Tolkien-linguisten ben ik me scherp bewust geworden van de diepe  kloof tussen, laat ik het hier scholars en creators noemen. Die indeling gaat mank, zoals alle indelingen. Er zijn personen die beide zijn, en er zijn er die in geen van beide zijn. Maar voor dit stuk voldoet het omdat het een fundamenteel verschil in benadering inhoudt: de scholar is de academisch geïnteresseerde: hij of zij benadert Tolkien’s werk als studie-object. De creator daarentegen is niet geïnteresseerd maar gefascineerd, bevlogen. Bij de strot gegrepen, zeg maar, door Tolkien’s mythos. Hij of zij heeft er een gevoelsmatige band mee, en wil niks liever dan in de geest van Tolkien voortgaan – hoe bescheiden dan ook. Ik ben er zo eentje. 

En hoewel het scholar of creator-zijn op zich niets zegt over het niveau, de inzet, of de kwaliteit van iemands bijdrage: toch verdragen die twee elkaar niet goed. Ik heb op Elfling heel wat verhitte discussies gezien, zo intens ad hominem zelfs dat ze me de lust ontnamen om ooit nog zelf daar iets te willen schrijven. De scholar vindt de creator een romantisch leeghoofd die nooit volwassen is geworden; de creator vindt de scholar een arrogante, betweterige stofjas die vlinders opprikt om ze te kunnen bestuderen en ontleden. 

Maar ik ben blij dat er scholars zijn: dankzij hen hebben we woordenlijsten en uitgewerkte grammatica’s. Het proces kan me alleen niet erg boeien. Zo was ik op één van de Tolkien-linguïstische conferenties (de Omentielva Nelya) en ondanks dat de mensen aardig, erg kundig en interessant waren – ik kan het gewoonweg niet opbrengen urenlang te luisteren naar verhandelingen over Past Tense Formation in Noldorin. Ik zou het liefst al die tijd in poetry-workshops hebben doorgebracht, of aan de uitspraak hebben gewerkt, of zoiets. 

Alfa, Bèta … ?

Maar het opstellen van een grammatica van Quenya is nog wel iets anders als het volbouwen van Midden-Aarde met koepelgevangenissen. Het enige verband is dat het, voorzover ik weet, allebei onder “alfa-wetenschap” valt. Ik ben geen alfa, maar een mengsel van bèta en kunstacademie: een combinatie die vaak vragen oproept maar die voor mijzelf prima werkt. Ik ben gewend, en in staat om, analytisch te denken als het over bèta-onderwerpen gaat. Maar alles wat met “creatie”, inspiratie of bevlogenheid; met poëzie of magie te maken heeft, maakt daar geen deel van uit. Het is niet zozeer dat die twee gebieden elkaar bijten: er is gewoon weinig of geen interactie tussen de twee. 

Voor mij is filosofie iets wat je doet als je echt diep nadenkt.
Literatuur lees je – of niet, als het je niks zegt. Net als bij elke vorm van kunst.
Ik kan me moeilijk voorstellen om op die gebieden analytisch bezig te zijn: ik kan me voorstellen om een schrijfster te zijn, maar geen literatuurwetenschapper.

Of: wel een filosoof, maar dan ééntje die zelf filosofie bedrijft; niet een filosofoloog of filosofogoog of filosofologoog: iemand die praat over andere filosofen.
Idem bij beeldende kunst: ik teken en schilder; maar zou nooit kunstcriticus kunnen of willen zijn. Dat is voor mij net zoiets als “je mag ernaar kijken, maar niet aankomen … alleen kijken met de handjes op de rug!” Maar er zijn blijkbaar een heleboel voor wie het anders werkt; die worden op een goeie dag kunstcriticus, of postmodernist, of communicatiewetenschapper of Foucault-expert. En nu ben ik weer terug bij het punt waar het om gaat: Ach, was begeistert ja doch die Alpha-Wissenschaftler? Wat bezielt zo iemand om Tolkien’s sub-creatie op die manier te willen beschouwen? 

Ik kan het alleen maar vergelijken met daar waar ik analyse wel begrijp: dat het bijvoorbeeld voldoening geeft om een idee te hebben waarom lichtdeeltjes zich gedragen zoals de Quantum Electro-Dynamica dat beschrijft. Wat dan weer leidt tot uitvindingen zoals de laser, die weer CD’s mogelijk maakt. Ik noem maar wat. Desnoods om het pure plezier van het begrijpen zelf. 

Bij sommige alfa-wetenschappen lijkt het ook ongeveer zo te werken. Bijvoorbeeld in de filologie, waarin men bestudeert hoe woorden en hun betekenis in diverse talen en tijden samenhangen en evolueren. Dat leert je iets over hoe taal werkt.

Maar hoe is dat bij wetenschap die een (sub-)creatie bestudeert – bijvoorbeeld een kunstwerk, of een verhaal? Wat valt er dan te verklaren?
De kunstgeschiedenis bestudeert stromingen in de kunst; een kunsthistoricus zal een bepaald werk proberen in zo’n stroming te plaatsen. Maar dat gaat niet over de inhoud van dat specifieke werk: dat is aan de toeschouwer.

Ik bedoel ook niet zoiets als het voor een modern publiek duidelijk maken van de symboliek in 17de eeuwse schilderkunst. Omdat die symboliek niet meer in verstaan wordt kun je dus veel meer uit dat werk halen als dat je wordt uitgelegd. 

Een andere uitzondering is misschien bij sterk politiek of maatschappelijk betrokken kunst (zoals Orwell’s Animal Farm), waarin wat toelichting op de inhoud nog wel eens wil helpen.

Een héél ander verhaal

Maar een fantasie-verhaal zoals Tolkien schreef, is uitdrukkelijk niet als commentaar op de samenleving bedoeld. Tolkien had daar een uitgesproken mening over; hij had een afkeer van allegorieën, of in ieder geval van het soort strikte allegorieën waarin de schrijver de gedachten van de lezer probeert te sturen. De allegorische verhalen die hij zelf schreef, zoals Leaf by Niggle, laten de interpretatie aan de lezer.

Toen LOTR was verschenen, zochten veel mensen naar de betekenis van het verhaal. Wat betekent het? Wat zit erachter? Wat bedoelt Tolkien? Is Sauron’s Mordor eigenlijk Hitler’s Derde Rijk? Is de Ring een symbool voor de atoombom?

In het voorwoord bij een volgende druk maakte Tolkien korte metten met dit gespeculeer: hij had geen enkele andere bedoeling gehad dan het verhaal zelf te vertellen. 

Ook de redenering dat LOTR dan misschien geen bewuste allegorie is (maar dan toch zeker wel een onbewuste!) wijst hij af:

I object to the contemporary trend in criticism, with its excessive interest in the details of the lives of authors and artists. They only distract attention from an author’s work…and end, as one now often sees, in becoming the main interest. But only one’s guardian angel, or indeed God Himself, could unravel the real relationship between personal facts and an author’s works. Not the author himself (though he knows more than any investigator) and *certainly* not the so called ‘psychologists’.

Ik denk dat die trend zich alleen nog maar verder doorgezet heeft, van schrijvers en beeldend kunstenaars die hun eigen ego (of een ander deel van zichzelf) tot hun Magnum Opus verklaren, tot aan de over het paard getilde Arrenbie-zucht-kreunsters en in de ballen geknepen sterren waar de muziekindustrie in grossiert.

Maar Tolkien verzet zich daar tegen. Volgens hem staat zijn werk op zichzelf als resultaat van een uitgesproken persoonlijk creatief proces dat zich niet leent voor verdere analyse. Natuurlijk hoeft niemand zich daaraan te houden (en dat doet men dan ook niet).

Daarom zou het voor de verandering eens aardig zijn om in plaats van Tolkien(‘s werk) de analist tot onderwerp van analyse te maken. Het is de hoogste tijd voor … :

Analistanalyse!

De vraag is: wat beweegt mensen om aldoor het werk van een auteur te willen analyseren, als niet alleen die auteur zelf overduidelijk aangeeft dat dit zinloos is, maar ook het werk in kwestie zich daar door zijn aard niet voor leent? 

Toegevoegd daaraan: wat zegt de duidelijk waarneembare voldoening, die men kan waarnemen bij auteurs die denken (een aspect van-) het werk van die auteur te hebben herleid tot externe factoren, over hun motivatie?

Volgens goed bèta-wetenschappelijk gebruik beginnen we met het opstellen van een hypothese. Als we uitgaan van de volgende sub-typen:

  • de compulsieve analist houdt erg veel van uitleggen en analyseren, en kan het niet laten (Jacob Bronowski, Midas Dekkers);
  • de pragmatische analist wil de analyse / theorie in kwestie zo goed mogelijk verkopen – zie bijvoorbeeld the Theory on Brontosauruses by Anne Elk (Miss) van Monty Python;
  • de ideologische analist gebruikt de analyse om een idee of overtuiging te ondersteunen

dan kunnen we stellen dat er aan de compulsieve analist niet veel valt te analyseren. Die analyseren gewoon alles wat ze voorgezet krijgen met de onverstoorbaarheid van een snijbonenmolen. Ze kunnen niet anders: ik laat deze hier buiten beschouwing.

Het merendeel van de Tolkien-analisten zit ergens tussen de pragmatische en ideologische analist. Die twee typen hebben gemeen dat er sprake is van een (al dan niet verborgen) externe motivatie.

Kijk, hier wordt het al interessanter! Wat zou dat externe motief kunnen zijn? Waarom zou iemand de historische roots van Tolkien’s werk willen identificeren of een psychologisch motief toekennen aan een thema uit zijn werk, terwijl de auteur daar zelf wars van was?

De enige hypothese die ik heb kunnen verzinnen die bij de waargenomen feiten past, is dat het te maken heeft met precies die onduidelijkheid.

Het is alsof men Tolkien’s creatie, of eigenlijk: het puur op zichzelf staande daarvan, het enigszins mysterieuze wat zijn creative proces kenmerkt (ook tegenover hemzelf), niet als zodanig kan of wil accepteren, of het zelfs niet goed kan uitstaan.

Het moet, net als een onbekend spoor in de detectoren van CERN, worden herleid tot iets tastbaars: een oorzaak, een reden, een bron. 

Dit zou de zowel de opluchting verklaren die vaak doorklinkt in de analyses (zelfs al raken die kant noch wal) – als ook die uitgesproken zelfgenoegzaamheid, alsof de analist / auteur / uitlegger wil zeggen:

Die Tolkien kan wel aardig schrijven hoor, maar ik heb me er altijd wild aan geërgerd dat hij zo geheimzinnig deed over dat ‘Faerie’ en hoe hij die elfentalen had verzonnen … maar ik heb het helemaal tot de bodem uitgezocht! Die talen zijn gewoon gebaseerd op een mengelmoes van oud-IJslands en Fins; de Ring heeft ie geleend van Wagner; Gandalf is een kloon van Merlijn met een nicotineverslaving; het “Gríma-thema” komt eigenlijk ook al bij Shakespeare voor; Mordor is een regelrechte projectie van de negatieve aspecten van de Industriële Revolutie; Frodo lijkt verdacht veel op Goethe’s Werther (inclusief het “lijden van” – en is het je wel eens opgevallen dat ‘Sam’ en ‘Sancho Panza’ allebei met ‘Sa-‘ beginnen?) – en Galadriel is gewoon een bikkelharde Panopticette! Sla Foucault er maar op na! Ha! Ha! HA! Dus zo mysterieus is het allemaal niet!

From the top of that tower …

Maar eerlijk is eerlijk: dit verklaart niet waarom die Tolkien-uitleggerij mij zo tegen de haren instrijkt. Ben ik dan in het algemeen zo wars van verklaringen? Heb ik op school een uitleg-trauma opgelopen? Dat valt wel mee. Zo mag ik bijvoorbeeld graag naar iemand als astrofysicus Vincent Icke luisteren, of eigenlijk wel naar iedereen die echt bevlogen is over een bepaald onderwerp.

Het gaat me niet om de gekunsteldheid of vergezochtheid van die theorieën en duidingen. Wat me steekt, zit hem niet in wat ik lees, maar in wat ik mis. Het gevoel bekruipt me nogal eens dat dat die analyseer-drift het zicht beneemt op iets anders, iets wat zich door zijn aard niet laat analyseren en wat ik veel hoger acht dan al die uitleggerij.

JRRT omschreef het zo in On Fairy-stories:

The definition of a fairy-story—what it is, or what it should be—does not, then, depend on any definition or historical account of elf or fairy, but upon the nature of Faërie: the Perilous Realm itself, and the air that blows in that country. I will not attempt to define that, nor to describe it directly. It cannot be done. Faërie cannot be caught in a net of words; for it is one of its qualities to be indescribable, though not imperceptible. It has many ingredients, but analysis will not necessarily discover the secret of the whole.

Hij probeerde het desondanks toch; maar het blijft bij omschrijven, uitsluiten van wat het niet is en hints. De enige manier om erachter te komen waar het werkelijk om gaat, is door je voor die ervaring open te stellen.

Met andere woorden: je kunt erover praten, en het proberen te analyseren until the cows come home: het brengt de magie geen stap dichterbij. Ik heb pas heel kortgeleden The Monster and the Critics voor het eerst gelezen: het was er nog nooit van gekomen. En daar stond het. Zwart op wit, exact zoals ik het altijd heb gevoeld:

I would express the whole industry in yet another allegory.
A man inherited a field in which was an accumulation of old stone, part of an older hall. Of the old stone some had already been used in building the house in which he actually lived, not far from the old house of his fathers.
Of the rest he took some and built a tower. But his friends coming perceived at once (without troubling to climb the steps) that these stones had formerly belonged to a more ancient building.
So they pushed the tower over, with no little labour, in order to look for hidden carvings and inscriptions, or to discover whence the man’s distant forefathers had obtained their building material. Some suspecting a deposit of coal under the soil began to dig for it, and forgot even the stones. They all said: ‘This tower is most interesting.’
But they also said (after pushing it over): ‘What a muddle it is in!’ And even the man’s own descendants, who might have been expected to consider what he had been about, were heard to murmur: ‘He is such an odd fellow! Imagine his using these old stones just to build a nonsensical tower!
Why did not he restore the old house? He had no sense of proportion.’
But from the top of that tower the man had been able to look out upon the sea.

Dat is het. Het gaat niet om de stenen. Natuurlijk zul je op die stenen sporen en verwijzingen vinden – sterker, ik denk niet dat er stenen zonder sporen bestaan. Maar het gaat niet om die stenen. Het gaat zelfs niet om de toren als gebouw. Het gaat erom dat iemand met die stenen – het hadden ook andere kunnen zijn – een toren heeft gebouwd van waaruit hij de zee kon zien.

En wat doen we met zijn allen? We roepen dat het geweldig interessant is – en slopen de toren om te achterhalen hoe hij ‘m dat geflikt heeft. En wat vind je dan? Een hele reut gegevens, die precies niks te maken hebben met waar het werkelijk om gaat.

En waar gaat het dan wel om? Ik denk: het uitzicht dat je wacht als je zelf die toren beklimt. Daarom denk ik dat de magie van Tolkien zit in de beleving, de ervaring. Het doet er niet zoveel toe of je je als lezer laat meevoeren, of zelf probeert een weg naar Faerie te vinden (al is dat heel wat moeilijker).

Probeer te zien wat hij zag, te horen wat hij hoorde. Dat is het zo ongeveer.