Vrije gevangenen

… in een droom over de werkelijkheid

Er was eens een man die Johan heette.

Hij had een rijke verbeelding en was gek op lezen, net als zijn twee goeie vrienden Gerard en Hans. Ze waren altijd wel in de een of andere discussie over filosofie of een boek verwikkeld, zodat ze op een gegeven moment “De drie profeten” werden genoemd. Ze konden de humor daarvan wel inzien: ergens in een fotoalbum is er nog steeds zo’n foto-met-kartelrandjes waarin ze met z’n drieën op de top van een heuveltje poseren, afgetekend tegen een dramatische wolkenhemel.

Johan had wel willen gaan studeren, maar nadat Johans vader plotseling was komen te overlijden, hadden ze daar thuis de centen niet voor, want het was in de tijd tussen de oorlog en Drees z’n AOW.
Daarom was Johan na de HBS gaan werken.

Bij Hans thuis hadden ze het iets breder, maar Gerard werkte in een boekhandel. Op een goeie ochtend zag Gerard iets tussen de zending met nieuwe boeken dat zijn aandacht trok. De titel was De Reisgenoten, en de stofomslag viel op door een opvallend, gestileerd rood oog in een zwarte cirkel. Hij bladerde het boek vluchtig door en las hier en daar een paar fragmenten, totdat hij de eigenaar van de winkel hoorde binnenkomen. Hij noteerde de titel van het boek en de naam van de schrijver in zijn agenda.

Op weg naar huis ging hij bij Johan langs. “Dank je, maar vandaag niet …. ik ga meteen door”, wimpelde Gerard het aanbod voor een kop thee af. “Ik wilde je alleen vertellen dat we nu een boek binnen hebben … van een prof uit Oxford, ene John Ronald Tolkien, het is een soort fantasieroman. Het lijkt me net iets voor jou … hier …“ Hij scheurde de pagina met aantekeningen uit zijn agenda.
“Ik hou wel een exemplaar voor je achter als ze goed lopen, ok?”

En of het iets voor Johan was! Hij was onmiddellijk ingepakt en verkocht, net als Gwendelin, het meisje waar hij net verkering mee had. Nadat ze De Reisgenoten uit hadden, konden ze haast niet wachten op het vervolg. Toen De Twee Torens eindelijk uitkwam, was Gwen thuis van een griep aan het bijkomen. Johan bracht het boek ’s morgens op weg naar zijn werk bij haar langs, en haalde het aan het eind van de middag weer op.

Tolkien heeft Johan nooit meer losgelaten. Hij kwam via Tolkien gaandeweg ook in aanraking met werk als Beowulf, de Kalevala en de Arthur-mythes – en natuurlijk, elk ander werk van Tolkien dat uitkwam: Blad van Klein, de Smid van Groot-Wolding, enzovoort.

Een paar jaar na De terugkeer van de Koning trouwden Johan en Gwen. Ze trokken in een nieuwbouwflatje, en daarna in een rijtjeshuis met een tuin, net als zoveel van hun generatiegenoten. Er kwamen een stel kinderen, en Johan vond het na de Dick Bruna- boekjes hoog tijd worden voor de Hobbit.

Dus, voor het slapen gaan werd er met grote ogen geluisterd naar meneer Balings die met tegenzin het avontuur ingesleept werd door een tovenaar en een hele reut dwergen met grappige namen. Ze waren nog te jong om het die eerste keer echt te snappen, maar eigenlijk verhoogde dat de magie alleen maar, want er is niks spannender dan ingewijd te worden in iets waar je nog nét niet bij kunt.

De oudste dochter heette Lotte, en bij haar kwam Tolkien al net zo hard binnen als bij haar ouders indertijd, al besefte ze dat toen nog niet. Zodra ze er aan toe was, of eigenlijk ook weer net iets daarvóór, klom ze op een stoel om De Reisgenoten uit de boekenkast te pakken en begon over Bilbo’s elftig-en-eerste verjaardagsfeest te lezen. Het verhaal was af en toe ingewikkeld, en soms ook flink griezelig – vooral die losse hand in de grafheuvels! – maar de magie van die weidse vergezichten, een wereld die nog veel groter leek te zijn dan die bij hun eigen blauwe voordeur begon – die hoefde niemand haar uit te leggen.

Ergens in die tijd maakte Johan een opmerking ’s avonds onder het eten:

“Wisten jullie dat Tolkien het gevoel had dat hij zijn verhalen niet ‘verzon’, maar ‘ontdekte’?”

“Bedoel je, zoals een ontdekkingsreiziger iets ontdekt?”

“Ja, misschien zoiets.”

Hoewel ze er op dat moment niet bijster van opkeek – kunstenaars moet je hun excentriciteit gunnen, nietwaar, en al helemaal als ze ook nog professor zijn! – heeft Lotte dit nooit vergeten.

A voyage upon a vague and wandering quest

Ze las natuurlijk meer dan Tolkien: Paul Biegel, en vooral Tonke Dragt konden er ook wat van, maar toch is Tolkien voor haar altijd de grootste tovenaar gebleven.

Toen ze In de Ban van de Ring voor de tweede keer aan het lezen was, merkte ze dat ze zich van binnen van een landschap gewaar was. Het was geen zien zoals met je ogen doet, maar het was duidelijk genoeg om het te kunnen tekenen. Het perspectief was als van de top van een heuvel, die links overging in een bergketen die zich in de verte verloor in de nevel, en voor haar en naar rechts strekte zich een glooiend landschap uit. Van rechts-achter kwam licht als van een laagstaande zon, hoewel die zon zelf buiten het beeld leek te vallen. Er ging een buitengewone aantrekkingskracht van dat tafereel uit en ze verwonderde zich erover. Maar ze accepteerde het als iets wat er kennelijk bij hoorde.

Dat landschap verscheen iedere keer als ze Tolkien las. Het voelde als een herinnering aan iets geweldigs, die op het punt staat door te breken: zó intens vertrouwd dat het verlangen ernaar bijna als verdriet voelde. En tegelijk was het zó vreemd dat ze er geen woorden voor kon vinden.
Daarom praatte ze er met niemand over.

Ze kreeg dat gevoel af en toe ook in andere situaties, zoals die keer dat ze ’s avonds in een grasveld buiten naar de kraakheldere hemel boven lag te staren en het leek alsof ze in de ruimte tussen de sterren zweefde… een nietig klein stipje in dat grote heelal. Het was absoluut niet eng maar voelde juist vertrouwd, net als dat berglandschap. Alsof in dat grote perspectief alle angsten en zorgen verdwenen.

Johan en Gwen kwamen allebei uit een katholiek gezin. Hoewel dat geloof de achtergrond vormde van hun gedachten en ideeën, waren ze allesbehalve streng gelovig. Voor Lotte voelde kerkbezoek als halverwege ‘gezellig’ en ‘saai’. Ze voelde er een zekere genegenheid voor, maar juist de verhalen uit de bijbel waar het allemaal om draaide, leken haar zo steriel, zo ontoereikend om een gevoel van betrokkenheid op te wekken. Als ze in de kerk was zocht ze van binnen of er misschien ook zoiets gebeurde als bij Tolkien, maar het bleef stil. Hoe hard ze ook probeerde, de avonturen in Midden-Aarde voelden veel intenser dan die deftige verhandelingen over apostelen tussen de rotsen en de olijfbomen.

Ze besefte dat dat niet helemaal de bedoeling was; dat juist die Bijbelverhalen werden verondersteld ‘echt’ te zijn en die van Tolkien ‘verzonnen’. Maar het voelde precies andersom, dus misschien had ze ergens iets helemaal verkeerd begrepen, al kon ze niet bedenken wát. Ze vertelde dat aan Johan, en hij antwoordde haar eerlijk dat hij daar zelf ook moeite mee had.

“Geloof is een gave”, zei hij, “het is niet iets dat je zelf bewust kunt aanzetten”. Kennelijk ontbrak die gave bij hen.

Voor een meisje van dertien was zoiets nog lastiger om over te praten dan voor een volwassen vent. Pas veel later hoorde ze van Gwen hoezeer haar vader ervan hield om urenlange ‘filosofische bomen op te zetten’ – ook toen de Drie Profeten elkaar al lang niet meer zo vaak zagen. Eén van Gwens broers, Joost, was priester geworden en zat in een klooster, maar hij was bepaald geen heremietkreeft. Johan en hij waren prima aan elkaar gewaagd, maar op een gegeven moment had Joost de habijt aan de wilgen gehangen. Daarna kwam er van die gesprekken niet meer zo veel als voorheen. Toen Lotte het er veel later met Gwen over had vond ze het verdrietig dat zowel Johan als zijzelf wat dat betreft een beetje met hun ziel onder de arm hadden rondgelopen. Het kwam noch bij Johan, noch bij Lotte op om tegenover elkaar over dit soort dingen te beginnen, hoe begrijpelijk het ook is.

Hoe dan ook, kleine meisjes worden groot, Lotte maakte de middelbare school af en ging op zichzelf wonen. De Silmarillion was een paar jaar daarvoor al uitgekomen, daarna Nagelaten Vertellingen; en nu was daar The Book of Lost Tales. Johan was van die verhalen zo mogelijk nog meer onder de indruk dan van In de Ban van de Ring dertig jaar eerder, maar Lotte was op dat moment meer in de ban van een eigen bestaan opbouwen. Die boeken lopen heus niet weg, dacht ze.

Maar een paar jaar later gebeurde er iets anders. Iets onvoorstelbaars. Johan overleed onverwacht. Het kwam hard aan, bij iedereen.

Maar ja, Hein vraagt niet – die maait, zoals Simon Carmiggelt schreef.

Als kind neem je alles voor gegeven, en je word je vaak pas bewust van iets als het er niet meer is. Johan had z’n gebruiksaanwijzing, hij kon soms humeurig zijn. Maar Lotte realiseerde zich door het verdriet wat voor een bijzondere vader Johan was geweest. Ondanks dat ze nog zoveel met hem had willen delen, overheerste uiteindelijk het gevoel van geluk dat hij er was geweest. Of, net als die woordeloze, tijdloze verwondering die Tolkien bij haar opriep: hoe hij er altijd zou zijn.

 But Finrod walks with Finarfin his father beneath the trees in Eldamar.
— The Silmarillion, “Of Beren and Lúthien”

Yet they would not in despair retreat

In de jaren daarna realiseerde Lotte zich dat ze niet alleen Johans gevoeligheid had geërfd maar ook zijn onvermogen (of onwil) om zich aan te passen aan de tijdgeest.
Het was een beetje alsof ze maar met één been in het hier en nu stonden.

Ze redde zich wel, maar bleef toch altijd het gevoel houden dat ze op zoek was.

Wat natuurlijk ook zo was. Dat overweldigende gevoel van verwantschap dat dat inwendige landschap opriep, was haar meest significante levenservaring, dus het was geen wonder dat ze zich daarop richtte als een kompasnaald naar de magnetische Noordpool.

Ze was zich daar alleen niet van bewust. Het probleem was eigenlijk dat ze niet kon bevatten wat het betekende. En zelfs al had ze dat begrepen, dan had ze niet geweten wat ze ermee aan moest.

Nadat ze al op vrij jonge leeftijd had ingezien dat geloof haar niet gegeven was, leek het haar dat alleen de rationele manier van denken eerlijk en consequent was. Tenslotte was ze vooral als kind onverzadigbaar nieuwsgierig naar zowat alles geweest, en had zelfs een tijd lang de droomwens om sterrenkunde te studeren.

De keerzijde van die rationaliteit was alleen dat daarin geen plaats was voor frivoliteiten als innerlijke landschappen. Dat was dan jammer-maar-helaas voor datgene wat ze met haar vader had gedeeld, en voor wat haar diepste drijfveer bij het zoeken naar de invulling van haar leven was. Dat soort dagdromerijen hoorden thuis in de kinderkamer, of beter nog, in de prullenbak.

Ondanks dat die trivialisering van wat haar het meest dierbaar was pijn deed, kon ze die rationaliteit niet opgeven, want er was geen alternatief voorhanden. Zelfs als ‘geloven’ haar wél gegeven was geweest, had dat weinig verschil gemaakt, want de kerk zit net zo min te springen om parochianen met berglandschappen in hun hoofd.

Het is één ding om zoiets in je schoot geworpen te krijgen; maar iets heel anders om er wat mee te kunnen doen. Maar goed, je kunt niet een verhaal schrijven dat zo nauw met Tolkien is verweven en het dan zonder eucatastrofale 1 wending laten verzanden in The Great Artefact 2.

In weerwil van zijn huidige status als prullarium, bleef dat innerlijke visioen stug verschijnen als Lotte de tijd en moeite ervoor nam. Er kwam zelfs een dimensie bij toen iemand met een verfilming van In de Ban van de Ring op de proppen kwam, met dialogen in Sindarijns en Quenya. Ze had als tiener ooit tevergeefs geprobeerd om daar iets over te leren uit de aanhangsels van De Terugkeer van de Koning, want het zag er op papier al betoverend uit… om het te horen spreken was de vervulling van een droom.

Ze woonde in die periode een paar jaar in Canada. Misschien kwam het door de verandering van perspectief en het feit dat ze had leren mediteren, maar er leek iets te veranderen. Haar gedachten werden helderder, ze leek meer grip te krijgen op haar situatie. Tot haar verbazing overkwam dat gevoel van tijdloze verwantschap haar steeds vaker, totdat het leek alsof er een soort glans over de wereld lag. En op een keer, nadat ze de hele extended trilogie in één weekend had uitgekeken, dacht ze: “Als ze voor die film geloofwaardige dialogen in Sindarijns hebben gemaakt, zou ik dat dan ook kunnen?”

Jazeker kon dat. Niet alleen had Christopher Tolkien bepaald niet stilgezeten, er bestonden zelfs complete taalcursussen. Helemaal in de wolken meldde ze zich aan voor de Elfling mailinglijst, en vond daar iemand om samen Pedin Edhellen 3 mee door te werken. Ze merkte snel dat de meeste anderen vooral een linguïstische interesse hadden, maar er waren er helaas ook die het soort gevoelens zoals zij die had neerbuigend afdeden als ‘girlish romantic longings’. Dit verbaasde haar, omdat ze de aard van haar eigen motivatie ook bij Tolkien zelf bespeurde. Ze stuurde een bericht met ongeveer die strekking naar de lijst, met een aantal quotes uit Tolkiens brieven ter illustratie. Achteraf kon ze zich niet meer herinneren wat de reacties daarop waren, maar ze kreeg één email die ze nooit zou vergeten.

I bow not yet before the Iron Crown, nor cast my own small golden sceptre down

Het was een vreemd bericht. John, de afzender, was Lotte’s bericht aan de lijst opgevallen en vroeg of ze kennis wilde maken met een groepje mensen dat iets soortgelijks voor ogen had. Lotte aarzelde, want ‘new age’-gezwatel was wel het laatste waar ze op zat te wachten. Toch stond haar kletsika-detector vooralsnog op groen, dus besloot ze op de mail te reageren. Zijn antwoord leek serieus en eerlijk, en er ontspon zich een gesprek. John leek haar afkeer van ‘new age’ te delen. Hij was net als zijzelf in staat om rationeel te denken en op een gegeven moment tegen de grenzen daarvan opgelopen.

Na een week of drie kat-uit-de-boom-kijken besloot ze dat het in ieder geval geen kwaad kon. John reageerde opgetogen, en vroeg of ze het goed vond een aantal opdrachten uit te voeren waarvan hij hoopte dat het een bruikbare introductie zou zijn.

“Kom maar op”, zei Lotte.

Ze begon met het lezen van The Book of Lost Tales; en John stuurde haar ook een gesproken lezing (4) van ene Stephan Hoeller.

Intussen ging het Sindarijns haar zo goed af dat ze zich aan het schrijven van dichtregels waagde. The Book of Lost Tales viel als het ware in een warm bad en ze was diep geraakt door ‘The Cottage of Lost Play’.

Stephan Hoeller bleek een gnostische bisschop te zijn. Hij deed haar aan Johan denken, en zijn gevoel voor humor en zelfspot was voor dit onderwerp beslist uniek. De lezing ging uiteraard over Tolkien, en hij sprak met groot respect over wat hij “one of the greatest enchanters of our time” noemde. En, zowat tussen neus en lippen door, vertelde hij iets dat voor Lotte alles veranderde, als het effect van een enkel ent-kristal op een oververzadigde oplossing. Hij legde uit dat onze cultuur het begrip van “iets dat geen feit is maar desondanks waar” is verloren. Het was een splijtbegrip: ze besefte dat het gelijkstellen van waar en feitelijk een enorm mentaal ervaringsgebied automatisch irrelevant maakt, maar omgekeerd ook dat het accepteren van niet-feitelijke waarheden de sleutel naar dat ervaringsgebied is.

Terwijl dit tot haar doordrong, was ze zich er scherp van bewust dat haar rationele verstand verbluft naar adem stond te happen van verontwaardiging, terwijl ze tegelijkertijd een ongekend gevoel van bevrijding ervoer.

Een beeld kwam bij haar op: ze bevond zich in een soort herberg vol met mensen. Ze waren er al zo lang, dat niemand zich iets van een buitenwereld herinnerde. Maar waarom zouden ze: het gezelschap was goed, de gesprekken intelligent, en er was genoeg te eten en te drinken. Toch merkte Lotte op een goeie dag dat de tafel waaraan ze zat vlak bij de muur van de gelagkamer stond. In die muur zat een deur die ze nog nooit eerder had gezien. Ze kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en stond op. Ze liep op die deur af, legde haar hand op de deurkruk en duwde de deur open. Voor haar ogen strekte zich een weids landschap uit: het beeld wat ze elke keer als in een droom had gezien, als ze Tolkien las. Alleen was het nu geen droom, maar onderdeel van de wereld.

Ze daalde het trapje af en liep het landschap in.

Into the landscap

Maar zoals het met dit soort verhalen gaat, was dat niet het einde, want het is maar een stukje van een veel groter verhaal. Ze begreep al snel dat in een cultuur, die de ervaring van Faërie a priori als apekool categoriseert, het vrijwel onmogelijk is om daarover met anderen te praten; zelfs met diegenen die ontvankelijk zijn voor de verhalen die er vandaan komen.

En op een dag vertelde Gwen haar dat haar broer Joost, de priester-monnik, ooit aan Johan had verteld dat hij (en vele anderen binnen de kerk met hem) om precies dezelfde reden niet ‘gewoon open konden’ zijn over waar het echt om ging.

‘We hebben onszelf wijsgemaakt dat wat ons het meest dierbaar is een leugen is … ’, dacht Lotte, ‘… rare lui, die mensen’.

Maar ze wist nu wat ze moest doen met de tijd die haar gegeven was. 


1) Eucatastrofe: een bevrijdende, positieve wending die tegen alle redelijke verwachting in plaatsvindt
2) Great Artefact: exclusief rationele wereldvisie die elke transcendentie uitsluit (JRR Tolkien, Mythopoeia)
3) Pedin Edhellen: ‘Ik spreek Sindarijns’, titel van een cursus Sindarijns samengesteld door Thorsten Renk
4) lezing beschikbaar hier; transcriptie: zie hier

en_GBEnglish (UK)
nl_NLNederlands en_GBEnglish (UK)